Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets voor startzondag bij Matteüs 13:44: het goede leven

Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag.

Matteüs 13:44

Schriftlezing: Matteüs 13:34-35, 44-46

Overige lezingen: Filippenzen 3:1,5-11

Thema: Het goede leven – radicale vreugde

Zie ook

Liturgisch kader

Het goede leven als jaarthema roept al snel associaties op aan een leven dat gekenmerkt wordt door een zelfvervulling die tot uiting komt in een mentaliteit van ‘pluk de dag’ en ‘het zwitserleven gevoel’. In de kerk krijgt het denken en spreken over het goede leven echter een heel eigen kleur en stempel, omdat het leven gezien wordt in het licht van het evangelie: het leven is goed waar God met zijn gerechtigheid en barmhartigheid regeert. Dit goede leven is present in Jezus Christus.

Het is goed mogelijk om een seizoen lang het goede leven te belichten vanuit de gelijkenissen. Voor deze startzondag staan twee korte gelijkenissen centraal die elkaar aanvullen: over het vinden van de schat in de akker en de parelkoopman die alles verkoopt om de ene kostbare parel te verwerven. Ze zijn met elkaar verbonden door een vreugde die zich uit in radicale keuzes. Deze vreugde en de consequenties ervan verwoordt de apostel Paulus in zijn brief aan de Filippenzen: ‘Laat de Heer uw vreugde blijven’ en ‘Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van Hem heb ik alles prijsgegeven.’

Liederen die hierbij passen zijn bijv. Psalm 33, 146 , 147 (‘goed is het leven’), Gez. 653:1,7 (over de verborgenheid die Christus is) en Gez. 241:1,2,3 (‘Gij die mijn liefste kleinood zijt, Gij allerschoonste kostbaarheid’). Als kinderlied past ‘Zoekt eerst het Koninkrijk van God’ (OTh 180, HH 88).

Uitleg

De gelijkenissen van Jezus hebben uitleg nodig. Dat blijkt ook bij de grote gelijkenis van de zaaier (Mt. 13), waar Jezus zijn leerlingen uitleg geeft. Daarin worden lijnen getrokken die ook van betekenis zijn voor de andere gelijkenissen. Het zijn geen simpele vergelijkingen, geen verheven allegorieën, maar ‘stories with intent’ (Snodgrass): de bedoeling van Jezus komt erin mee, de werkelijkheid van het Koninkrijk der hemel stelt zich erin present, als ze gebruikt worden waarvoor ze zijn bedoeld: uitgesproken en gehoord te worden. Jezus zelf als de inhoud het Koninkrijk der Hemelen wordt in de gelijkenissen op verborgen wijze openbaar. Deze dubbelheid van openbaring en verborgenheid, van verstaan en niet verstaan, van zien en niet zien (Mt. 13:13-16) maakt dat de gelijkenissen werken alsof je door een glazen wand kijkt. Je kunt de zaak niet pakken en er ook niet door gepakt worden, de gelijkenis staat er altijd tussen (Iwand, 655). Er is en blijft in de eenvoud van de gelijkenissen een geheimenis dat ons slechts geopenbaard wordt wanneer wij, net als de leerlingen, aan Jezus vragen om het zelf uit te leggen: biddend om het licht van de Heilige Geest en de opening van het Woord. ‘We stand right before Jesus when reading his parables. To interpret a parable is to meet Jesus.’ (Lischer, 5).

Over de eenvoud: de uitleg van deze twee korte gelijkenissen lijkt niet veel problemen op te leveren. Maar juist de kortheid en het open einde roepen de vraag op waar het nu om gaat. Luz wijst erop dat het thema van het vinden van een schat in een veld waarmee die vinder zijn fortuin maakt is in de oudheid weid verbreid is. Het is iets dat altijd tot de verbeelding spreekt. In de gelijkenis ligt het accent niet op de (bijna onmogelijke) kans van het vinden, maar op de werkelijkheid van het vinden van de schat. Of ernaar gezocht en ervoor gewerkt is, is niet relevant. Het accent ligt ook niet op de waarde of op de vreugde van het vinden (die zijn verondersteld), maar op wat de vinder ermee doet: niet verstoppen, niet aan de eigenaar van de akker melden, maar alles verkopen wat hij heeft om de akker te kopen. Of de actie legaal of moreel verantwoord is, doet er blijkbaar niet toe. De vinder neemt een ‘opzettelijk risico’, hij geeft alles op om het ‘Koninkrijk der hemelen te verwerven.’ (Luz)

In de tweede gelijkenis is de koopman van parels het thema. Een parel is beeld voor iets onbetaalbaars, bijvoorbeeld ‘de Thora voor Israël, een goede gedachte of dat wat God wil geven aan degenen die op hem vertrouwen.’ (Luz). Dat het hier om één parel gaat is niet onbelangrijk, omdat het verwijst naar het ene Koninkrijk van God. Ook in deze gelijkenis ligt het accent op wat de koopman doet zodra hij de ene kostbare parel vindt. Hij verkoopt alles wat hij heeft om de ene parel te kopen.

Het afstand nemen van bezit is voor Matteüs een deel van het leven van de kerk als zij de volmaakte weg van de liefde gaat (Luz). Maar het ‘alles verkopen’ heeft tegelijk een ‘illustrative metaphorical dimension and means more than it says.’ (idem). De vraag is, met het oog op de preek, wat dit ‘meer’ dan is? Radicale keuzes maken heeft iets van ‘opoffering’ en ‘zelfovergave’. Het is radicale overgave aan Jezus die de inhoud van het Koninkrijk der Hemelen is. Hier springt de gelijkenis open naar de werkelijkheid (Iwand, 657). Beide gelijkenissen hebben dan iets te zeggen over een beweging die gemaakt wordt, een manier van leven, een weg die God gaat met mensen. In de eerste gelijkenis gaat het om vinden zonder te zoeken, ‘umsonst’, een zomaar stuiten op het evangelie. ‘Al vragen zij niet naar mij, toch laat ik me raadplegen, en al zoeken ze mij niet, toch laat ik me vinden. Al roept dit volk mijn naam niet aan, toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’ (Jes. 65:1). In de tweede gelijkenis krijgt de inspanning meer aandacht. De koopman is een zoeker. Maar alles wat hij zich al zoekend heeft eigen gemaakt, verkoopt hij zodra hij de ene kostbare parel ontdekt. Om het met Paulus te zeggen: ‘Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van Hem heb ik alles prijsgegeven.’ (Fil. 3:8)

Aanwijzingen voor de prediking

Het goede leven is iets waar we allemaal naar zoeken en verlangen (of we hebben misschien, moe geworden, het zoeken opgegeven). Maar hoe dan ook, ieder heeft zijn eigen voorstelling van wat het goede leven inhoudt. Soms verandert de voorstelling ervan door de ervaringen die je opdoet in de loop van je leven. Het is goed om dat met elkaar te delen, ook in de gemeente. Als Jezus, te midden van zijn leerlingen en de schare die hem volgt, het goede leven ter sprake brengt, dan heeft hij het over het Koninkrijk der Hemelen. Immers, als ergens het leven goed is, dan is het waar God regeert.

In de gelijkenissen van de schat in de akker en de kostbare parel komen een paar aspecten van het goede leven naar voren. Allereerst: het koninkrijk der hemelen is er, het is present als een schat in een akker, als een kostbare parel. Het goede leven bestaat, niet als (onbereikbaar) ideaal, niet als utopie, maar als werkelijkheid, verborgen onder de oppervlakte van de akker van de wereld. Onder het wereldgebeuren waarvan Prediker verzucht dat het allemaal lucht en leegte is (Pred. 1:2), ligt het goede leven als een schat verborgen. Ieder die erop stuit ervaart een onuitsprekelijke vreugde.

Bij het Koninkrijk der hemelen gaat het vaak over een toekomstige realiteit. Jezus leert ons ook bidden: ‘uw Koninkrijk kome’. Er staat nog iets uit, we hebben iets te verwachten. Maar er zit ook een andere kant aan: het is er al, het is als een schat en een kostbare parel op verborgen wijze present. Het lag er al ‘sinds de grondvesting van de wereld’ (Mt. 13:35). Bij de schepping van hemel en aarde heeft God zijn kostbare schat begraven onder het stof van de aarde. Hij ligt er te wachten hij door iemand gevonden wordt.

Hoe groot is de kans dat je deze schat vindt? Dat is de vraag van een scepticus die uit ervaring weet dat de kans buitengewoon klein is. Maar Jezus is geen scepticus. Terwijl wij gaandeweg ons leven leren rekening te houden met de onmogelijkheden, verkondigt Jezus ons met deze gelijkenis het evangelie. Het evangelie is niet alleen dat wat bij de mensen onmogelijk is, bij God toch mogelijk is (Mt. 19:26). Het evangelie is meer: het onmogelijke blijkt niet alleen mogelijk, maar het wordt waarheid en werkelijkheid: tot twee keer toe gaat het over vinden. God is een God van verrassingen.

Jezus Christus laat zich vinden voor niet-zoekers (1e gelijkenis) en voor zoekers (2e gelijkenis). Voor beide gaat het Koninkrijk der hemelen open. Voor de zoekers geldt: neem niet zomaar genoegen met de kleine pareltjes van levenskunst die de wereld ons biedt. Al het ware, goede en schone van de wereld haalt het niet bij de ene kostbare parel van het Koninkrijk der hemelen (vgl. Fil. 3:1). Voor de niet-zoekers geldt: onder de platgetreden paden van de wereld (en van de kerk, de prediking, de liturgie), gaat een ongekende verrassing schuil. Zelfs de meest verstokte niet-zoeker, de hardste atheïst, kan erdoor verrast worden (vgl. Jes. 65:1).

Enige vraag is: wat doe je ermee? De vinder van de schat en koopman van parels doen allebei iets radicaals. Ze verkopen alles wat ze hebben. Zo staat een christen in het leven. Dat is misschien dwaas in de ogen van de wereld, maar voor hen is dit het ene nodige. Alles wordt relatief ten opzichte van de schat, de parel, Jezus Christus (vgl. Fil. 3:8). Ze laten zich in hun doen en laten leiden door de verrassing, de verwondering, de vreugde, over hun schat, Jezus Christus, nu nog verborgen, straks voor iedereen zichtbaar.

Ideeën voor kinderen en jongeren

Het programma Bible Basics heeft vaak allerlei vruchtbare handvatten voor kindermoment in de dienst. De gelijkenis over de schat in de akker en de kostbare parel is te vinden onder zondag 7 juni (nummer 140 van 200).

Geraadpleegd

  • Iwand, Predigt-Meditationen, Göttingen 1964, 654-658

  • Jüngel, Predigten 1, Stuttgart 2003, 52-57

  • Lischer, Reading the Parables (Interpretation), Louisville 2014, 1-40, 58-63

  • Luz, Matthew 8-20 (Hermeneia), Minneapolis 2001, 228-232, 275-280

  • Snodgrass, Stories with Intent, A Comprehensive Guide to the Parables of Jesus, Grand Rapids 2018, 1-60, 236-253